Foodie Weerspreuken

“Weerspreuken: volkswijsheid, volksgeloof„

Weerspreuken43Een weerspreuk is een gezegde of spreekwoord dat betrekking heeft op het weer. Veel weerspreuken zijn volkswijsheid of volksgeloof en niet wetenschappelijk bewezen. In spreuken over het weer op de korte termijn en spreuken over het weer in een vaste periode van het jaar zit dikwijls een kern van waarheid, terwijl voorspellingen voor de lange termijn doorgaans onjuist zijn.

JANUARI


“Schijnt de zon op nieuwjaar, dan wordt het een goed appeljaar.”

“Krijgt men op Nieuwjaarsmorgen de zon, dan belooft dit veel appelen, en schijnt ze na den middag, dan veel peren.”

“Een hommel in januari, brengt een goed wijnjaar.”

“In januari veel regen, brengt de vruchten weinig zegen.”

“Sint-Paulus’Bekeringhe (15 januari) met zonneschijn, is goed voor vruchten, koren en voor wijn.”

“Vincentius (22 januari) met zonneschijn, geeft veel koren en ook veel wijn.”

FEBRUARI


“Zonneschijn op St. Valentijn, geeft goede wijn.”

“In februari al de lente? Dat geeft broden zonder krenten.”

“Een koude februari geeft een goed roggejaar.”

“Een veel te vroege lente, geeft brood zonder krenten.”

“Lichtmis klaar, goed roggejaar.”

“Als er met Lichtmis (2 februari) de zon door de boomgaard schijnt, zal het een goed appeljaar zijn.”

“Water op St. Agatha (5 februari) is melk in de boerkarn.”

MAART


“Waait de wind in maart te fel, veel fruit verwacht men wel.”

“Een natte maart, geeft veel lijnzaad.”

“Veel wind in maart, geeft appels in de gaard.”

“Maart met een lange staart, brengt later spek en pens aan de haard.”

“Autoruiten nu nog steeds bevroren, dat geeft straks veel koren.”

“Sint Albijn (1 maart), verandert suiker in azijn.”

“21 Maart, het begin van de lente, dan is het niet altijd rijst met krenten.”

APRIL


“Koude april geeft brood en wijn, zachte april is ’t ergste dat er kan zijn.”

“April met ruw weer in zijn stoet, geeft koren en wijn in overvloed.”

“April koud en nat, veel koorn in het vat.”

“Valt in april veel nat, dan zwemmen de druiven tot in het vat.”

“Sneeuwt april nog op onze hoed, ’t is voor de druiven en koren goed.”

MEI


“Een natte mei geeft boter in de wei.”

“Mei nat, spek in het vat.”

“In mei een warme regen, betekent vruchtenzegen.”

“Een natte Mei, boter in de wei.”

“Meiregen genoeg en ’t weer is mooi, dan ’t hele jaar lang brood en hooi.”

“Te Sint-Job zet men de bonen volop.”

“Wie bonen wil winnen, moet op Sint-Job beginnen.”

“Met St. Stanislaus (7 mei) aan de stond, komen de aardappelen uit de grond.”

“Regent het op St. Urbijn (25 mei), zo is er weinig wijn.”

“St. Urbanus (25 mei) en de zon, wijn in de ton.”

JUNI


“Juni-meer droog dan nat, vult goede wijn het vat.”

“In juni te veel regen in de nok, schaadt de bij en de bonenstok.”

“Als het in juni veel dondert, komt er een overvloed van koren.”

“In juni dondergevaar, betekent een vruchtbaar jaar.”

“Te veel koude regens in juni, schaden wijn en bijenstok.”

“In juni veel regen, komt wijngaard en bijen ongelegen.”

“Een boom in juni geplant, geeft vijftig in een hand”

“Wat St Medaar (08 juni) geeft voor weer, brengt hij ook in de oogsttijd weer.”

“Heeft Magriet (10 juni) geen zonneschijn, dan zal het een natte zomer zijn.”

“Valt op Sint_Barnabas (11 juni) veel nat, zwemmen de druiven in het vat.”

“St. Antonius (13 juni) schoon en helder, vult vat en ook de kelder.”

“St. Antonius (13 juni) nat, de boer drinkt van verdriet zich zat.”

“Plant men kool in mei, ze worden zogroot als een ei. Maar plant ze met St. Jan (24 juni), dan worden ze zo groot als een wan.”

“Met St. Jan (24 juni), melk in de kan.”

“Met St.Jan (24 juni), nieuwe aardappelen in de pan.”

“De regen van St. Jan (24 juni), de oogst bederven kan.”

“Als het op Sint_ Pieter (29 juni) schoon mag zijn, dan drinken alle molenaars wijn. Maar valt er regen, het valt hun en de bakkers tegen.”

“St. Pieter (29 juni) helder en klaar, is een goed bijenjaar.”

“Op St. Pieter (29 juni) zonneschijn, dan drinke vrij de mulders wijn.”

JULI


“Slechts in juli-gloed wordt de vrucht en wijn eerst goed.”

“Juli, louter zonneschijn, zeker krijgen we gouden wijn.”

“Als het op St. Godelieve (6 juli) regent, de Heer de groentetuinen zegent.”

“Helder op St. Jacobsdag (25 juli), veel fruit de boer verwachten mag.”

AUGUSTUS


“Geeft augustus zonneschijn, zeker krijgen we goede wijn.”

“Is het warm en voorspoedig weer, brengt augustus de eerste peer.”

“In augustus zure druiven, in oktober zoete wijnen.”

“Is het op St. Laurentius (10 augustus) klaar, dan is er veel fruit dit jaar.”

“Regen op Maria Hemelvaart (15 augustus) is weinig wijn en slecht van aard.”

“Maria Hemelvaarts (15 augustus) zonneschijn, brengt goede wijn.”

“Regent het op Sint Jansonthoofding (29 augustus), dan bederven de noten.”

SEPTEMBER


“St. Mattheus (21 september) koud en guur, maakt de druiven wrang en zuur.”

OKTOBER


“In de wijnmaand zon, winter kent geen pardon.”

DECEMBER


“Kerstmis volle maan, de vruchten komen aan.”

“Is op Kerstmis de hemel klaar, verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.”

“St. Silvesterwind (31 december) met zonneschijn, geeft zelden goede wijn.”

WINTER


“Veel sneeuw, veel brood.”

“Veel noten, harde winter.”


Ken je nog een weerspreuk waar eten en/of drank in voorkomt, mag je dit altijd laten weten via mail.

Copyright “KOOKRECEPTEN”